Count Aschenbach gaat naar Venetie in een bepaald seizoen van zijn leven, gedreven door een kracht die hij niet volledig begrijpt en wordt geconfronteerd met vreemde wezens die hem op de een of andere manier uit lijken te lachen of hem verleidden. Zodra hij zich eenmaal gesettled heeft in zijn grand hotel aan het Lido, wordt hij zich bewust van een mooie jongen die daar ook op bezoek is met zijn familie uit Polen. Zijn gevoelens ten opzichte van deze jongen zijn vreselijk gecompliceerd en om ze te interpreteren als eenvoudigweg homoseksuele attractie is vulgair en simplistisch. De jongen vertegenwoordigt, boven alles, een ideaal van perfecte fysieke schoonheid apart van seksualiteit. De ironie is dat deze schoonheid emoties oproept in een man die erop heeft gestaan de wereld van het intellect te bewonen. De jeugd van de jongen en zijn natuurlijkheid worden een tegenstelling ten opzichte van de ijdelheid van de oudere man en diens creatieve steriliteit. Er zijn flashbacks waar Aschenbach argumenteert dat schoonheid huist in het intellect waarna een vriend verklaart dat schoonheid een kwaliteit is die op natuurlijke wijze bezit is van mooie dingen.